Tot mijn verrassing ben ik dit jaar als eerste geëindigd bij het Kennemer Open. Ik had me op goed geluk ingeschreven om, zonder vaste plaats in een HWP-team, toch te kunnen rekenen op een paar potjes op de zaterdag. Ik was ervan overtuigd dat ik door vakantie-verplichtingen zoveel ronden zou gaan missen dat een hoge klassering buiten bereik zou blijven. Maar dat viel mee; buiten de twee toegestane byes hoefde ik verder geen speelronden verstek te laten gaan. Een score van 6 uit 7 in de reguliere partijen plus twee reglementaire halfjes voor de byes bleek genoeg voor een gedeelde eerste plaats.
Waar het succes aan te danken was ? Wel, het toernooi werd overdag gespeeld. In een prettige, ruime speelzaal met veel daglicht. Fijn om eens een keer de stukken te zien waarmee je speelt. Daarbij wordt in het Kennemer Open een klassiek speeltempo aangehouden van twee uur voor de eerste 40 zetten. Lekker veel tijd vermorsen in de opening, en dan toch nog in staat zijn de partij af te ronden voordat de vlag valt. Ten slotte wisten de organisatoren een gezellige, huiselijke sfeer te creëren tijdens het toernooi. De ronde-aankondigingen gingen dan ook vergezeld van moederlijke raadgevingen zoals: “vergeet niet een warm truitje aan te doen, de zaal kan eerst nog koud zijn”, of “neem een lekker boterhammetje mee, schaken maakt hongerig en de keuken heeft slechts beperkte mogelijkheden” of “vergeet niet om een schone zakdoek mee te nemen, en altijd een rolletje pepermunt”. Kortom, een vriendelijke sfeer waar ik me wèl bij voelde, en die blijkbaar vooral sympathieke deelnemers aantrok. Mijn complimenten aan de organisatie. Ten slotte, veel dingen gaan beter “with a little help from my friends”, in dit geval Peter Beerens met zijn partijen-database. Een flinke dosis geluk, vooral in de laatste ronde, bezegelde het eindresultaat.
Na de eerste vijf ronden had ik vier punten verzameld. Twee keer een bye moeten opnemen, en drie keer gewonnen in spannende partijen die alle kanten op hadden kunnen gaan. Daarna liep het moeizamer. In de zesde ronde met zwart tegen Marc Hartog kwam ik slecht uit de opening en had misschien wel moeten verliezen. Maar wit overschatte zijn kansen op een directe koningsaanval, vergooide zijn stelling en verloor.
In ronde 7 kreeg ik met wit een klassieke Nimzo-Indiër tegen Niek van der Maat van Oegstgeest ’80. Gebrek aan ervaring met dat speltype zorgde ervoor dat ik dit keer serieus in tijdnood kwam, hoewel mijn stelling steeds prettiger werd. Mijn tegenstander schatte de situatie goed in en plaatste een taktisch remise-aanbod dat ik gezien de klok eigenlijk niet kon weigeren. De variant die ik zat te overwegen had uiteindelijk wel gewonnen, maar was niet de sterkste. De stelling na 20….exd4 van zwart:
Hier had ik 21.Tdh1 gepland, met als antwoord op 21...dxc3 de zet 22.T1h4? Dat was slecht geweest: na 22…Pd4 23.Tg4+ Kf7 staat zwart prima, want ik mag het paard op d4 niet slaan vanwege het torenschaak. Beter was echter 22.Pxc3 Lc8 23.Pd5 Da1+ 24.Kd2 Dd4 25.g4 met flink voordeel voor wit. Daarentegen had 21.g4 bijna geforceerd gewonnen. Bijvoorbeeld 21.g4 Th8 22.g5 hxg5 23.fxg5 De5 24.f6+ Kg8 25.Txh8+ Kxh8 26.Th1+ Kg8 27.Lh7+ Kf8 28.Dg6 etc.
Ook de volgende ronde, tegen Wim Gravemaker, lukte het niet om afstand te nemen van het peloton. Halfweg de partij kwam ik de dame voor, tegen twee stukken en enkele pionnen. Dit was echter niet aan me besteed, het winstplan ontglipte me. Mijn tegenstander ging er eens goed voor zitten, hield het spel gecompliceerd, en scoorde met een handig remise-aanbod een verdiende half.
Het zou dus aankomen op de laatste ronde: de drie van Oegstgeest ’80 of de HWP-er. Niek van der Maat en ik deelden de eerste plaats met 6 punten, Rob Veenhuijsen volgde met 5½, en Bert van Brussel met 5. Of het nu de spanning was, een teveel aan toeschouwers of aardstralen, mijn partij tegen Rob Veenhuijsen verliep warrig, met lelijke fouten over en weer. Eigenlijk was remise de juiste uitslag geweest, maar er kwam toch een vol punt uit. Het ging als volgt:





